Overzicht uitkerende lijfrentevormen
Oudedagslijfrente: De uitkeringen gaan uiterlijk in in het jaar waarin de belastingplichtige 70 jaar wordt en eindigen bij diens overlijden. Bij bancaire lijfrente is levenslang omgevormd tot 20 jaar van de ingangsdatum . Als de ingangsdatum ligt voor 65 jaar dan tellen de jaren voor 65 jaar ook mee.
Tijdelijke oudedagslijfrente: De uitkeringen gaan niet eerder in dan het jaar waarin de belastingplichtige 65 jaar wordt of een later jaar van pensionering, maar uiterlijk in het jaar waarin hij de 70-jaarige leeftijd bereikt. De duur moet minimaal vijf jaar zijn en de hoogte van de uitkering is beperkt tot € 20.602,- (voor 2011).
Nabestaandenlijfrente: De lijfrente moet toekomen aan een natuurlijk persoon en normaliter ingaan direct na het overlijden van de belastingplichtige of diens (ex-)partner. De uitkering kan tijdelijk zijn of levenslang. Komt de uitkering toe aan een bloed- en aanverwanten, niet zijnde de (ex-)partner, in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn, dan moet de uitkering eindigen of bij overlijden of op uiterlijk als de gerechtigde 30 jaar wordt. In dit laatste geval is een eis van een minimale sterftekans van 1% niet van toepassing. Het blijft een nabestaandenlijfrente als de termijnen niet direct ingaan na het overlijden maar kunnen worden doorgeschoven tot einde ANW-uitkering. Voor bancaire lijfrente gelden min of meer dezelfde voorwaarden, waarbij 1% sterftekans vertaald is naar 5 jaar voor de partner of een derde. Een vereiste levenslange uitkering is vertaald naar 20 jaar en geldt dus niet dat bij een ingangsdatum voor leeftijd 65 de jaren voor 65 jaar meetellen.
Overbruggingslijfrente: De uitkeringen eindigen in het jaar waarin de belastingplichtige 65 jaar wordt of in het jaar waarin hij een pensioenuitkering gaat genieten. De hoogte van de uitkering mag in totaal niet hoger zijn dan € 63.288,-. Bedraagt de sterftekans gedurende de looptijd van de overbruggingslijfrente minder dan 1%, dan kan van dit vereiste worden afgeweken als er 1 overlijdenskans is.
De aftrek van lijfrentepremies voor de financiering van een overbruggingslijfrente wordt vanaf 2006 niet meer gefaciliteerd. Voor lijfrenteverzekeringen gesloten voor 2006 mag de waarde in het economisch verkeer per 01-01-2006 worden aangewend voor een overbruggingslijfrente. Indien vanaf 01-01-2006 geen premies meer in aftrek zijn gebracht voor de lijfrenteverzekering, mag ook de waardeaangroei vanaf 01-01-2006 worden aangewend voor een overbruggingslijfrente.
Financieel 

